Wachtdiensten: het Hof van Justitie verduidelijkt het begrip arbeidstijd

1 maart 2022
Tekst
Frederic Brasseur

Voor heel wat activiteiten is het onmogelijk om voorafgaandelijk in te schatten hoeveel werk er zal zijn en dus hoeveel werknemers er nodig zullen zijn. Er wordt dan noodgedwongen met een wachtsysteem gewerkt, waarbij de werknemer in principe vrij is, maar zich niettemin beschikbaar moet houden om bij een oproep het werk aan te kunnen vatten.

De vraag stelt zich of het louter beschikbaar zijn op zichzelf niet als arbeidsduur beschouwd moet worden. Het begrip ‘arbeidstijd’ wordt niet beperkt tot de tijd waarop effectief gewerkt wordt, maar bestaat uit ‘de tijd waarop de werknemer ter beschikking van de werkgever staat’. Indien de volledige periode waarin iemand van wacht is als arbeidstijd zou moeten beschouwd worden, heeft dit zeer verregaande gevolgen, enerzijds doordat het aantal te presteren uren enorm daalt, en anderzijds financieel als het normale loon ook verschuldigd zou zijn voor de tijd dat iemand louter van wacht is.

Het Hof van Justitie heeft al in haar arrest van 3 oktober 2000 (Simap) geoordeeld dat een wachtdienst met verplichte aanwezigheid op de arbeidsplaats, de zogenaamde slapende wacht in ziekenhuizen, als arbeidsduur beschouwd moet worden. Het feit dat een werknemer een kamer ter beschikking gesteld wordt, waar de werknemer desgevallend zelfs kan slapen, doet geen afbreuk aan het feit dat de vrijheid van de werknemer beperkt wordt door de verplichte aanwezigheid.

Sindsdien was het meerderheidsstandpunt in de rechtspraak dat wachtdiensten zonder verplichte aanwezigheid op het werk geen arbeidstijd zijn. In haar arrest van 21 februari 2018 (Matzak) oordeelde het Hof van Justitie echter dat ook een wachtdienst waarbij de werknemer gewoon thuis mag blijven arbeidsduur kan zijn. Dit arrest betrof weliswaar uitzonderlijke feiten, aangezien het ging om een brandweerman die binnen de acht minuten na een oproep in volledig uniform in de kazerne moest staan.

Deze rechtspraak had tot gevolg dat er een grijze zone ontstond, aangezien het moeilijk was om in te schatten waar juist het kantelpunt lag waarop de beperking van de vrijheid van de werknemer tijdens een wachtdienst dermate was dat de volledige wachtdienst als arbeidstijd beschouwd moet worden.

Het Hof van Justitie heeft in haar arrest van C-214/20 (Dublin City Council) meer duidelijkheid hierover gebracht. De zaak betrof opnieuw wachtdiensten door een brandweerman. Hoewel de betrokkene bij een oproep binnen de tien minuten in uniform in de kazerne aanwezig moest zijn, was het bijzondere dat hier een poolsysteem georganiseerd werd. Dit hield in dat de betrokkene slechts op 75 procent van de oproepen moest reageren. Voor maximum 25 procent van de oproepen kon hij dus beslissen dat het niet paste en de oproep weigeren. Daarenboven was het hebben van een voltijdse job tijdens de wachtdiensten uitdrukkelijk toegelaten.

Het Hof herhaalde haar vaststaande rechtspraak dat arbeidstijd gedefinieerd wordt als de tijd waarbinnen de verplichtingen die de werknemer heeft dermate zijn dat zij een objectieve en aanzienlijke impact hebben op de manier waarop de betrokkene zijn tijd kan invullen en aan zijn vrije interesses kan besteden. Omgekeerd gezien is er geen arbeidstijd wanneer de verplichtingen van de werknemer hem toelaten om zonder al te veel problemen zijn tijd te beheren en te besteden aan zijn niet-professionele interesses. Dit dient beoordeeld te worden op basis van de globale situatie, waaronder de reactietijd, het aantal oproepen, de tijd nodig na een oproep (ijvoorbeeld om het materiaal weg te bergen), enzovoort.

Het feit dat de werknemer een kwart van de oproepen kon weigeren en zelfs bij een andere werkgever mocht gaan werken, was voor het Hof van Justitie doorslaggevend om te beslissen dat de wachtdienst geen arbeidsduur was.

Voor ondernemingen met een systeem van wachtdiensten, is het dus aanbevolen om het systeem zo te organiseren dat altijd meerdere werknemers van wacht zijn en een werknemer van wacht een substantieel deel van de oproepen kan weigeren. Niet alleen is de continuïteit van de dienst dan niet afhankelijk van één persoon, maar bovendien ontstaat een sterk argument om de wachtdienst niet als arbeidsduur te beschouwen. Dit blijft echter een punt dat op basis van de globale situatie beoordeeld moet worden, dus het is weliswaar een sterk argument, maar niet noodzakelijk een doorslaggevend argument.

Zelfs wachtdiensten met een korte reactietijd zijn soms geen arbeidsduur als de werknemer op andere punten voldoende vrijheid gelaten wordt.