Platformeconomie toont nood aan innovatief sociaal recht

6 juli 2020
Tekst
Jo Cobbaut
Platformeconomie toont nood aan innovatief sociaal recht

Er loopt al jaren een discussie over de positie van medewerkers aan platformbedrijven. Dat gaf aanleiding tot allerlei wetgevende initiatieven, maar die focussen alle op het bestaande werknemersstatuut en niet op de kern van de zaak: het wettelijk kader.

Dat concludeert PwC Legal uit een eigen onderzoek. In Italië introduceerde de wetgever de verplichting van een schriftelijke overeenkomst, de garantie van een minimumloon en een arbeidsongevallenverzekering. Ook in het Verenigd Koninkrijk en Nederland denkt men in de richting van een werknemersstatuut. Hoewel we in principe geen tegenstander zijn van een werknemersclassificatie, komt deze evolutie nog steeds niet tegemoet aan de noden van de huidige arbeidsmarkt, stelt PwC Legal.

Verouderd wettelijk kader

Het probleem is niet zozeer de werknemersstatus, maar veeleer het wettelijk kader van dit statuut. De arbeidswetgeving in alle westerse landen dateert immers uit een andere eeuw. De sociaal en economische context waarin die regelgeving is gemaakt, verschilt totaal met deze van vandaag. Jessica De Bels, advocaat bij PwC Legal, noemt ons huidig arbeidsrecht “niet verenigbaar met flexibel, autonoom en internationaal werken” en “het is al zeker niet aangepast aan het werken in de context van nieuwe businessmodellen zoals de platformeconomie. Nochtans zijn dit allemaal principes en noden die inherent zijn aan de arbeidsmarkt, maar ook de individuele werknemers van vandaag”.

Gig-economie

Voor PwC Legal is de internationale ophef over het sociaal statuut van de werkers in de gig-economie dan ook een symptoom van een wettelijk kader dat niet meer is aangepast aan zijn tijd. Het is voor PwC Legal hoog tijd dat we investeren in een gemoderniseerd arbeidsrecht. Anders blijven de spelers in de platformeconomie zich noodgedwongen beroepen op een zelfstandigenstatuut. Dat is immers het statuut dat in België het best werkbaar is binnen hun businessmodel.

Rechtszekerheid boven complexiteit

Bij gebrek aan innovatieve wetgeving doen landen zoals onder andere het VK en Spanje, daarom een beroep op een derde statuut. Maar PwC Legal gelooft niet in een derde statuut; ons arbeidsrecht is immers al enorm complex.

Inspiratie kan veeleer geput worden uit het concept dat op tafel lag in Frankrijk. Daar kwam de idee op tafel om een wettelijk vermoeden van zelfstandigheid in te lassen voor alle werkers van de platformeconomie, op voorwaarde dat het platform een charter publiceerde waarin de voorwaarden van de samenwerking werden vastgelegd.

Helaas heeft het Frans grondwettelijk hof dat concept vernietigd. Over het charter zelf was Pascale Moreau, partner bij PwC Legal niet enthousiast, maar het achterliggende idee vond zij niet verkeerd. Zij zou het beter vinden mochten we vertrekken van heldere criteria. Van wie die respecteert, kan men wettelijk vermoeden dat ze een bepaald sociaal statuut genieten. “Dit kan rechtszekerheid bieden aan alle partijen. Dit is een begrip dat we immers vandaag ook al toepassen in bijvoorbeeld de schoonmaak- en vervoersector.”

Criteria

Behoudens bewijs van het tegendeel wordt de arbeidsrelatie in (o.a.) deze sectoren vermoed uitgevoerd te worden in het kader van arbeidsovereenkomst indien aan meer dan de helft van de voorziene criteria voldaan is. “Dat concept kan dan ook perfect doorgetrokken worden naar een statuut voor de gig-werkers dat meer vrijheid, flexibiliteit en autonomie voorziet – zonder dat men zich noodzakelijkerwijze in het vaarwater van herkwalificatie van de arbeidsrelatie zou bevinden.”

Pascale Moreau, pleit dan ook voor een wetgevend kader dat nieuwe economieën stimuleert, zonder ons arbeidsrecht nodeloos verder te compliceren. “Rechtszekerheid, transparantie en flexibiliteit, moeten de bouwstenen vormen van dit nieuw arbeidsrecht.”