Met hoevelen werken we van thuis uit voor en sedert de coronacrisis?

1 april 2020
Met hoevelen werken we van thuis uit voor en sedert de coronacrisis?

Blijven we na de coronacrisis massaal thuiswerken? StatBel bracht alvast de situatie in kaart van voor de crisis: in 2019 werkte 18,9% van de loontrekkenden soms of gewoonlijk van thuis uit. In 1999 ging het om 7,4%.

Door de coronacrisis explodeerde het thuiswerk, vooral het telewerken. Zo berichtte technologiefederatie Agoria eind maart dat het thuiswerk in de sector verdubbeld is. Voor de crisis werkte 33% af en toe thuis. Vandaag is dat 62%. Stepstone had het over 44% en de wekelijkse enquête van de Universiteit Antwerpen over 75% (editie 24 maart).

En voor de crisis? Statbel, het Belgische statistiekbureau, becijferde dat het aandeel van thuiswerk (dus niet enkel telewerk) op 18,9% van onze loontrekkenden lag.

Meer vrouwen

Jarenlang was er nauwelijks verschil in het percentage vrouwelijke en mannelijke loontrekkenden dat van thuis uit werkte, maar de laatste jaren ligt het percentage vrouwen dat thuiswerk verricht, duidelijk hoger dan bij de mannen. In 2019 werkte 20,4% van de vrouwelijke loontrekkenden soms of gewoonlijk thuis, tegenover 17,4% van de mannen (grafiek 1).

Grafiek 1 - Evolutie percentage van de loontrekkenden dat soms of gewoonlijk thuis werkt sedert 1999-2019

Brussel

Thuiswerk komt het vaakst voor bij loontrekkenden die in Brussel wonen: bijna 24% werkte in 2019 soms of gewoonlijk thuis. Bij loontrekkenden uit Vlaanderen en Wallonië bedroegen de percentages 20% en 14,8% (tabel 1).

Thuiswerk komt nog vaker voor bij loontrekkenden die in Brussel werken dan bij wie in Brussel woont. In 2019 verrichtte 29,8% van de loontrekkenden met werkplaats in Brussel soms of gewoonlijk werk van thuis uit.

Bij loontrekkenden met werkplaats in Vlaanderen of Wallonië bedroegen de percentages 18,1% en 13,6%.

Van loontrekkenden die in België wonen maar in het buitenland werken, deed ongeveer 1/5de thuiswerk in 2019.

Vooral hooggeschoolden

Opvallend is dat het percentage thuiswerkers veel hoger ligt bij hooggeschoolden dan bij midden- en laaggeschoolden. In 2019 werkte 35,6% van de hooggeschoolden soms of gewoonlijk thuis. Bij midden- en laaggeschoolden bedroeg dit percentage 6,7% en 2,7% (tabel 1).

Hogere functies

Dat het percentage thuiswerkers veel hoger ligt bij hooggeschoolden dan bij midden- en laaggeschoolden, heeft wellicht te maken met het soort werk. Bekijken we het percentage loontrekkenden dat regelmatig of occasioneel thuis werkt volgens beroepsgroep, dan zien we thuiswerk voornamelijk bij hogere functies. 44,6% van de managers werkte in 2019 wel eens thuis.

Bij intellectuele, wetenschappelijke en artistieke beroepen lag dat percentage nog iets hoger (45,1%).

Arbeiders werken heel weinig thuis. Dat heeft uiteraard veel te maken met de aard van het uitgevoerde werk dat zich minder leent om op afstand te worden uitgevoerd.

Vooral in het ‘Onderwijs’ en de ‘Informatie en communicatie'

Het percentage thuiswerkers verschilt ook sterk volgens de sector. Het hoogste percentage loontrekkenden dat thuis werkt werd in 2019 genoteerd in het ‘Onderwijs’. Daar werkte meer dan 52% soms of gewoonlijk thuis. Dat is niet onlogisch omdat leerkrachten die thuis lessen voorbereiden of toetsen verbeteren in de cijfers inbegrepen zijn.

In de sector ‘Informatie en communicatie’ werkte 45,3% van de loontrekkenden soms of regelmatig van thuis uit.

Op de derde plaats komen de ‘Extraterritoriale organisaties en lichamen’ (onder andere de internationale organisaties) met 40,6%.

De sectoren waar in 2019 het minst thuiswerk voorkwam, zijn ‘Vervoer en opslag’ (7,4%), ‘Menselijke gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening’ (8,6%) en ‘Bouwnijverheid’ (9,5%).

Grote verschillen in de EU

Het percentage loontrekkenden dat soms of gewoonlijk thuis werkt, verschilt enorm in Europa. In een grafiek met gegevens voor 2018 stond België met 16,8% op de achtste plaats. Het EU-gemiddelde (28 landen) bedroeg toen 11,7%.

StatBel - Thuiswerk in Europa

Bron: StatBel