Bescherming van de preventieadviseur

1 november 2021
Tekst
Gastauteur

Een preventieadviseur voldoet niet aan de vereiste opleidingsvoorwaarde om deze opdracht uit te voeren. Kan de werkgever overmacht inroepen?

De wet van 22 december 2002 betreffende de bescherming van preventieadviseurs beschermt een preventieadviseur wanneer zijn arbeidsovereenkomst beëindigd wordt en wanneer hij uit zijn functie als adviseur verwijderd wordt. Bij ontslag of verwijdering uit de functie moet een voorafgaande procedure gevolgd worden, zo niet is een beschermingsvergoeding verschuldigd.

In verband met deze wet is het interessant even stil te staan bij het arrest dat het Arbeidshof van Luik op 13 maart 2021 velde (J.T.T., 2021, pag. 268).

Wat waren de feiten?

Een werknemer werd aangeworven om de opdracht van preventieadviseur uit te voeren. Door het aantal werknemers op dat ogenblik (minder dan 200) volstond een niveau III. Toen het aantal werknemers toenam, werd een niveau II vereist.

Tijdens de vergadering van het CPBW werd beslist om deze werknemer te ontheffen van zijn taak als preventieadviseur (hij werd weer voltijds tewerkgesteld in een nieuw omschreven functie). Als gevolg van deze beslissing voerde hij de opdracht van preventieadviseur dus niet langer uit en werd een dienstverleningsovereenkomst ondertekend met een externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, zodat de onderneming kon rekenen op een preventieadviseur die aan de vereiste voorwaarden voldeed. Na enkele maanden (en blijkbaar na afloop van vruchteloze onderhandelingen tussen de partijen over een beëindiging van de arbeidsovereenkomst) besloot de werkgever om deze werknemer te ontslaan door middel van de betaling van een compenserende opzeggingsvergoeding. De werknemer diende een vordering in bij de rechtbank en eiste de betaling van een beschermingsvergoeding op grond van de wet van 22 december 2002. De werkgever beriep zich op overmacht.

Hoe oordeelde het Hof?

Het Hof herinnerde allereerst aan de principes die de wet van 22 december 2002 voorschrijft en in het bijzonder aan de procedures die niet alleen van toepassing zijn wanneer een preventieadviseur zijn arbeidsovereenkomst beëindigd ziet, maar ook wanneer hij uit zijn functie verwijderd wordt. Het onderstreepte vervolgens dat de bescherming waarin de wet van 22 december 2002 voorziet een regel van openbare orde is en dat de preventieadviseur er dus onmogelijk aan kan verzaken. Tegelijk wees het Hof erop dat de bepalingen van deze zelfde wet met betrekking tot de betaling van een beschermingsvergoeding van dwingende aard zijn: de preventieadviseur kan hieraan verzaken, maar slechts nadat hij uit zijn functie verwijderd werd of ontslagen werd (naargelang het geval).

Indien er sprake is van onbekwaamheid van een preventieadviseur omdat hij/zij niet over de vereiste opleiding beschikt, is een verwijdering uit de functie volgens het Hof wel degelijk mogelijk. Dit kan echter slechts met inachtneming van de procedureregels die de wet van 22 december 2002 voorschrijft.

In deze zaak was de formele procedure waarin de wet van 22 december 2002 voorziet echter niet gevolgd, ook al had het CPBW zich akkoord verklaard met de verwijdering van de preventieadviseur. Zich beroepen op overmacht volstaat volgens het Hof niet om zich te ontdoen van de verplichting om de opgelegde procedureregels te volgen, zodat de beschermingsvergoeding verschuldigd was.

Een preventieadviseur die niet aan de wettelijk voorgeschreven vereisten voldoet, kan slechts uit zijn functie verwijderd worden indien de procedure die de wet van 22 december 2002 voorschrijft, strikt nageleefd wordt. Het feit dat iemand niet beschikt over de wettelijk voorgeschreven opleiding, vormt geen geval van overmacht.

Frédérique Gillet
Advocaat DLA Piper UK LLP