Vraag van de maand

Vraag van de maand

Kan de werkgever door de verzekeraar aangesproken worden voor onderfinanciering van een groepsverzekering aanvullend pensioen als alle bijdragen correct werden betaald?

1 december 2021

Een werknemer treedt uit dienst bij zijn werkgever waar hij genoot van een aanvullend pensioenplan, zijnde een vaste-bijdragenplan dat voorzag in een werkgeversbijdrage van 4% van het referentieloon en een werknemersbijdrage van 1% op ditzelfde loon, en dit enkel voor de opbouw van een aanvullend pensioen.

De HR-manager informeert de groepsverzekeringsmaatschappij van deze uit(dienst)treding opdat deze de verplichte uittredingsfiche zou kunnen voorbereiden die aan de werknemer dient te worden overgemaakt. Bij het voorbereiden van deze uittredingsfiche (die een overzicht biedt van de verworven reserves, verworven prestaties en de verschillende keuzemogelijkheden) meldt de verzekeringsmaatschappij dat het aanvullende pensioenplan voor betrokken werknemer ondergefinancierd is en verzoekt de verzekeraar de werkgever om bij te betalen.

De HR-manager, die net in dienst was getreden, begrijpt het niet: de bijdragen zijn immers steeds correct betaald geworden. Hoe kan dit nu en is het correct dat de verzekeringsmaatschappij de werkgever voor de vastgestelde onderfinanciering aanspreekt?

 

Correct!

Overeenkomstig artikel 24 van de Wet Aanvullende Pensioenen (hierna WAP) heeft de aangesloten werknemer bovenop de gestorte bijdragen immers ook recht op een minimum rendementsgarantie en dit zowel op de werkgeversbijdragen (aangezien het een vaste- bijdragenplan betreft) als de werknemersbijdragen. Bovendien bepaalt artikel 30 van de WAP dat de werkgever verplicht is om bij uittreding uit het plan de tekorten van de verworven reserves alsook de tekorten ten opzichte van de rendementsgarantie aan te zuiveren.

Tot 31/12/2015 bedroeg deze minimum rendementsgarantie 3,75% op de werknemersbijdragen en 3,25% op de werkgeversbijdragen. Sinds 1/1/2016 is deze minimum rendementsgarantie variabel (met een minimum van 1,75% en 3,25%) en wordt deze bepaald op basis van het gemiddelde percentage van de Belgische OLO’s (lineaire obligaties) op 10 jaar. Op basis van deze regel bedraagt de minimumrendementsgarantie sinds 1/1/2016 1,75% en dit zowel op de werknemers- als de werkgeversbijdragen.

Daarnaast dient opgemerkt te worden dat deze minimum rendementsgarantie:

  • enkel op de bijdragen voor het pensioenluik dient te worden berekend (dus na aftrek van eventuele risicopremies); en
  • de werkgeversbijdragen hiertoe bovendien mogen verminderd worden met maximaal 5% kosten.

Een voorbeeld ter verduidelijking.
In januari 2016 genoot betrokken werknemer van een loon van 5000 EUR bruto/ maand. De bijdragen werden berekend op een referteloon gelijk aan het bruto maandloon van januari * 12. Dit resulteerde in een werkgeversbijdrage van 200 EUR/maand en een werknemersbijdrage van 50 EUR/maand. De verzekeringsmaatschappij rekent een kost aan van 6%, i.e. 15 EUR die wordt ingehouden op de 200 EUR zodat er 235 EUR (= 185 EUR + 50 EUR) op de rekening van de aangeslotene wordt gestort. De verzekeringsmaatschappij biedt een gewaarborgd rendement van 2%. Dit levert op het einde van het jaar een intrest op van 4,7 EUR, zodat er op het einde van het jaar 239,70 EUR/maand op de rekening staat.

  • De minimum rendementsgarantie (1,75% in januari 2016) op de werknemersbijdragen bedraagt 0,875 EUR (50 EUR * 0,175), wat leidt tot een gewaarborgd bedrag van 50,875 EUR.
  • De minimum rendementsgarantie (eveneens 1,75%) op de werkgeversbijdragen bedraagt 3,325 EUR (200 EUR - 10 EUR (de kosten maar beperkt tot 5%) * 1,75%) wat leidt tot een gewaarborgd bedrag van 193,325 EUR.  Totaal gewaarborgd bedrag van 50,875 EUR + 193,325 EUR = 244,20 EUR zodat er een onderfinanciering is van 4,50 EUR/maand (= 244,20 EUR – 239,70 EUR) voor 2016.

Deze minimum rendementsgarantie dient voor de werknemersbijdragen ten allen tijde gefinancierd te zijn, doch dit geldt niet voor de werkgeversbijdragen waarvoor deze verplichting immers enkel van toepassing is bij:

  • pensionering van de aangeslotene;
  • uittreding van de aangeslotene die besluit om zijn verworven reserves over te dragen;
  • stopzetting van het aanvullend pensioen plan.

In casu had de verzekeringsmaatschappij jaarlijks de minimum rendementsgarantie berekend en de werkgever reeds op de hoogte gesteld van de onderfinanciering van het plan voor sommige aangeslotenen doordat de minimum rendementsgarantie niet langer werd gehaald. De werkgever – in overleg tussen de CEO, de vorige HR manager en de accountant – had evenwel besloten om niet bij te storten maar hiervoor een provisie aan te leggen waarvan de nieuwbakken HR-manager evenwel (nog) niet op de hoogte was gesteld.

De door de verzekeringsmaatschappij gevraagde bijstorting was in casu dus volkomen legaal, en vormde bovendien geen enkel probleem aangezien hiervoor de nodige voorzieningen waren aangelegd.

Het is bijgevolg als inrichter van een aanvullend pensioenplan ten stelligste aan te raden om jaarlijks na te gaan of de minimum rendementsgarantie al dan niet wordt behaald op de werkgeversbijdragen in een vaste-bijdragenplan of een cash-balance plan (voor een vaste prestatieplan geldt dergelijke verplichting niet). Door de steeds lagere door de verzekeringsmaatschappijen gewaarborgde rendementen komt de minimum rendementsgarantie immers steeds meer onder druk te staan, en wordt deze dus niet altijd meer behaald.

Deze minimum rendementsgarantie wordt door de meeste verzekeringsmaatschappijen jaarlijkse berekend, doch niet door alle maatschappijen. Een nauwgezette pensioenhuishouding waarbij in eerste instantie een mogelijke onderfinanciering wordt gedetecteerd, en in voorkomend geval in tweede instantie dient besloten te worden of er al dan niet wordt bijgestort, dan wél de nodige voorzieningen worden aangelegd is dan ook van elementair belang. Dit om te vermijden dat een dergelijke onderfinanciering voor een welbepaald aantal aangesloten over verschillende jaren heen voor onaangename verrassingen zou zorgen.

Helaas foutief..

Overeenkomstig artikel 24 van de Wet Aanvullende Pensioenen (hierna WAP) heeft de aangesloten werknemer bovenop de gestorte bijdragen immers ook recht op een minimum rendementsgarantie en dit zowel op de werkgeversbijdragen (aangezien het een vaste- bijdragenplan betreft) als de werknemersbijdragen. Bovendien bepaalt artikel 30 van de WAP dat de werkgever verplicht is om bij uittreding uit het plan de tekorten van de verworven reserves alsook de tekorten ten opzichte van de rendementsgarantie aan te zuiveren.

Tot 31/12/2015 bedroeg deze minimum rendementsgarantie 3,75% op de werknemersbijdragen en 3,25% op de werkgeversbijdragen. Sinds 1/1/2016 is deze minimum rendementsgarantie variabel (met een minimum van 1,75% en 3,25%) en wordt deze bepaald op basis van het gemiddelde percentage van de Belgische OLO’s (lineaire obligaties) op 10 jaar. Op basis van deze regel bedraagt de minimumrendementsgarantie sinds 1/1/2016 1,75% en dit zowel op de werknemers- als de werkgeversbijdragen.

Daarnaast dient opgemerkt te worden dat deze minimum rendementsgarantie:

  • enkel op de bijdragen voor het pensioenluik dient te worden berekend (dus na aftrek van eventuele risicopremies); en
  • de werkgeversbijdragen hiertoe bovendien mogen verminderd worden met maximaal 5% kosten.

Een voorbeeld ter verduidelijking.
In januari 2016 genoot betrokken werknemer van een loon van 5000 EUR bruto/ maand. De bijdragen werden berekend op een referteloon gelijk aan het bruto maandloon van januari * 12. Dit resulteerde in een werkgeversbijdrage van 200 EUR/maand en een werknemersbijdrage van 50 EUR/maand. De verzekeringsmaatschappij rekent een kost aan van 6%, i.e. 15 EUR die wordt ingehouden op de 200 EUR zodat er 235 EUR (= 185 EUR + 50 EUR) op de rekening van de aangeslotene wordt gestort. De verzekeringsmaatschappij biedt een gewaarborgd rendement van 2%. Dit levert op het einde van het jaar een intrest op van 4,7 EUR, zodat er op het einde van het jaar 239,70 EUR/maand op de rekening staat.

  • De minimum rendementsgarantie (1,75% in januari 2016) op de werknemersbijdragen bedraagt 0,875 EUR (50 EUR * 0,175), wat leidt tot een gewaarborgd bedrag van 50,875 EUR.
  • De minimum rendementsgarantie (eveneens 1,75%) op de werkgeversbijdragen bedraagt 3,325 EUR (200 EUR - 10 EUR (de kosten maar beperkt tot 5%) * 1,75%) wat leidt tot een gewaarborgd bedrag van 193,325 EUR.  Totaal gewaarborgd bedrag van 50,875 EUR + 193,325 EUR = 244,20 EUR zodat er een onderfinanciering is van 4,50 EUR/maand (= 244,20 EUR – 239,70 EUR) voor 2016.

Deze minimum rendementsgarantie dient voor de werknemersbijdragen ten allen tijde gefinancierd te zijn, doch dit geldt niet voor de werkgeversbijdragen waarvoor deze verplichting immers enkel van toepassing is bij:

  • pensionering van de aangeslotene;
  • uittreding van de aangeslotene die besluit om zijn verworven reserves over te dragen;
  • stopzetting van het aanvullend pensioen plan.

In casu had de verzekeringsmaatschappij jaarlijks de minimum rendementsgarantie berekend en de werkgever reeds op de hoogte gesteld van de onderfinanciering van het plan voor sommige aangeslotenen doordat de minimum rendementsgarantie niet langer werd gehaald. De werkgever – in overleg tussen de CEO, de vorige HR manager en de accountant – had evenwel besloten om niet bij te storten maar hiervoor een provisie aan te leggen waarvan de nieuwbakken HR-manager evenwel (nog) niet op de hoogte was gesteld.

De door de verzekeringsmaatschappij gevraagde bijstorting was in casu dus volkomen legaal, en vormde bovendien geen enkel probleem aangezien hiervoor de nodige voorzieningen waren aangelegd.

Het is bijgevolg als inrichter van een aanvullend pensioenplan ten stelligste aan te raden om jaarlijks na te gaan of de minimum rendementsgarantie al dan niet wordt behaald op de werkgeversbijdragen in een vaste-bijdragenplan of een cash-balance plan (voor een vaste prestatieplan geldt dergelijke verplichting niet). Door de steeds lagere door de verzekeringsmaatschappijen gewaarborgde rendementen komt de minimum rendementsgarantie immers steeds meer onder druk te staan, en wordt deze dus niet altijd meer behaald.

Deze minimum rendementsgarantie wordt door de meeste verzekeringsmaatschappijen jaarlijkse berekend, doch niet door alle maatschappijen. Een nauwgezette pensioenhuishouding waarbij in eerste instantie een mogelijke onderfinanciering wordt gedetecteerd, en in voorkomend geval in tweede instantie dient besloten te worden of er al dan niet wordt bijgestort, dan wél de nodige voorzieningen worden aangelegd is dan ook van elementair belang. Dit om te vermijden dat een dergelijke onderfinanciering voor een welbepaald aantal aangesloten over verschillende jaren heen voor onaangename verrassingen zou zorgen.

Vragen? Wij helpen graag verder!